Veel mensen zijn opgegroeid met het idee dat je pas mag stilstaan als alles af is. Een opgeruimd huis, een volle agenda die toch klopt, een gezin dat soepel draait, tijd voor je relatie en voor anderen. Tijd voor jezelf staat dan al snel onderaan het lijstje, of voelt zelfs als iets wat je eigenlijk niet mag doen.
Maar wat gebeurt er als je jarenlang op die manier doorgaat? Op een gegeven moment voel je je uitgeput. Alsof je continu achter de feiten aanloopt. Je hoofd blijft malen, zelfs als je even gaat zitten. Je hebt vast wel gehoord, via een artikel, een goedbedoeld advies van iemand in je omgeving, dat je af en toe rust moet nemen. Lekker ontspannen, zeggen ze dan. Maar als je dat eindelijk doet, voelt het niet ontspannen. Het voelt onwennig. Onrustig. Gejaagd.
Als je jarenlang gewend bent om altijd bezig te zijn, raakt je zenuwstelsel ingesteld op een constante staat van alertheid. Druk zijn voelt dan veilig. Stilte en rust kunnen juist onrust oproepen, want zonder afleiding kom je in contact met jezelf, en soms met dingen die je liever even niet voelt.
Daar komt vaak nog iets anders bij: de overtuiging dat je pas waardevol bent als je veel doet. Stoppen voelt dan al snel als falen, alsof je niet goed genoeg bent als je even niets presteert.
Al het bovenstaande gaat makkelijker buiten, in de natuur. Zoek een plekje waar je even niets van jezelf hoeft, kijk rustig om je heen en voel wat er in je lijf gebeurt. Voel je veel onrust, richt je aandacht dan even op iets concreets: de blaadjes aan de bomen, het geluid van vogels. Zo wen je stap voor stap aan het “niets doen”.